Laboratorium onderzoeken

 

De diagnose ITP wordt nog steeds gesteld door het uitsluiten van andere mogelijke oorzaken voor het bloedplaatjes tekort. Voor het uitsluiten van andere oorzaken is het nodig om de relevante voorgeschiedenis van zowel de patiënt als van familieleden goed in kaart te brengen, een lichamelijk onderzoek te verrichten en laboratorium onderzoek te doen.

 
3a0cf205-7e0c-4f2d-a7c6-97a9dac5a339 buisjes-bloed

Het laboratorium onderzoek bestaat uit een telling van de bloedplaatjes, een differentiatie van de witte bloedcellen en een mean platelet volume (gemiddeld plaatjes volume). Daarbij wordt vaak onderzoek verricht naar virale infecties zoals HIV en HCV (Hepatitis C Virus) en naar de aanwezigheid van een maagbacterie (Helicobacter Pylori). Ook kan de aanwezigheid van antiphospholipide antistoffen worden uitgesloten.

 

Het verrichten van bloedplaatjes-antistof onderzoek behoort niet tot het standaard ITP onderzoek, maar kan bij problemen bij het uitsluiten van andere oorzaken worden aangevraagd. Tot op heden wordt het onderzoek naar de aanwezigheid van auto-antistoffen tegen bloedplaatjes niet specifiek genoeg gevonden. Gelukkig is recent het antistof onderzoek sterk verbeterd en wordt gekeken of het een plaats kan krijgen in de routine diagnostiek voor ITP.

 

Soms is er een probleem met het tellen van het aantal bloedplaatjes, doordat ze aan elkaar of aan witte bloedcellen binden. Dit fenomeen heet pseudo-trombocytopenie en komt door iets wat in de bloedbuisjes zit en is niet van belang voor de patient. Daarom is het goed om het aantal bloedplaatjes voor de diagnose ITP ook eens met de hand te tellen, zodat eventuele klontering kan worden gezien. 

Als de patiënt jonger is dan een half jaar moet ook gedacht worden aan een erfelijke aandoening en aan een overdracht van antistoffen van de moeder naar het kind.

 

Beenmerg onderzoek

 

Een beenmerg onderzoek, om te zien of het bloedplaatjes tekort door een verminderde aanmaak komt in plaats van door een verhoogde afbraak, kan worden overwogen bij;

  • Patiënten ouder dan 60 jaar
  • Voordat er een miltverwijdering plaatsvindt
  • Bij therapie resistente patiënten
  • En bij patiënten met afwijkende lichamelijke symptomen of afwijkende laboratorium resultaten


Voor het onderscheiden van een aanmaak of een afbraak probleem kan ook een trombopoëtine (TPO) bepaling worden verricht.

 

 

Voorbeeld van het aantonen van autoantistoffen

Als er auto-antistoffen binden aan bloedplaatjes, is dat zichtbaar te maken met fluorescentie technieken (zie foto). Als er geen auto-antistoffen gebonden zijn, zijn de bloedplaatjes zwart. Tegenwoordig wordt het auto-antistof onderzoek met modernere technieken verricht.

 

 

 

Word nu lid of steun ons met een bijdrage

 

Tel. 085-1303570 | E‑mail info@itp‑pv.nl | Bank 1 NL91ABNA0401810461 | BIC ABNANL2A | Bank 2 NL69RABO0345603702 | BIC RABONL2U |KvK 1715605 | ANBI 8135.93.372